Menu & Search

Hoe Ieren wederom mijn dag verpestten.

Hoe Ieren wederom mijn dag verpestten.

Ik hoorde ze boven al. Het waren wiet-rokers of herrieschoppende jongelui. Het moest wel, weinig anderen schreeuwen zo bovenaan de trap. Met een boel lawaai kwamen ze de trap af gedenderd. Met hun hele hebben en houwen. Jawel, hun hele hebben en houwen. En dat is nogal wat. Het waren geen herrieschoppende jongeren of wiet-rokers. Het waren de Ieren. Wederom die Ieren.

En als Ierse toeristen met hun hele hebben en houwen gaan winkelen, dan heb je dus nogal wat. De groep bestond dit keer alleen uit vrouwen. Vrouwen met onnatuurlijke haarkleuren. Kleuren met een groot contrast. Haar dat zo vaak geverfd was dat het pluizig, droog en dood was. Of tenminste, zo zag het eruit, het was ongetwijfeld zijdezacht als je zou voelen. Het gezicht onder de haren was grauw van de rook. Niet alleen van de 16+ers, maar ook van de jonge kinderen. Het lichaam was ongezond dik. Het was dat ze een Iers accent hadden, anders zou ik zweren dat ze Amerikaans waren. De ongezond dikke lichamen waren in te kleine jogging- en huispakken gehuld waardoor de vetrollen over het velours heen hingen. Wederom een grauwe huid. De broeken waren tot vlak onder de knie opgestroopt. Alsof het buiten niet bijna vroor.

‘Hai!’ groette ik ze nog vriendelijk. Tevergeefs. Mijn collega was met pauze, dus daar stond ik. Ingelise against the Ieren. De vorige keren dat ze er waren hadden we achter nog tegen elkaar kunnen schreeuwen en het als een echte estafette kunnen verdelen. Maar ik was alleen. Ik zou alles op alles moeten zetten om de Ieren af te weren. Om andere klanten te helpen. Om mezelf niet letterlijk op te vreten van frustratie. Ik ben niet snel gefrustreerd, maar dit type Ieren frustreert me. Ik heb er nog een jaar nachtmerries over gehad, en nu blijken ze gewoon elk jaar terug te komen. Ik pakte een briefje en schreef erop dat ik per direct ontslag nam. Vervolgens gooide ik het briefje weer weg met de gedachte dat ik straks als het goed is gewoon weer studeerde en geen Ieren meer op hoefde te voeden.

‘XSJOES MIE! IS THIS SAIS 38?’ Normaal praten leek moeilijk voor de vrouw met een hoerige schoen aan haar voet. Voor het gemak zal ik het dus even vertalen. Ik keek op de schoen en vertelde de vrouw op mijn rustigste toon dat dit een maat 40 was. ‘IS DAT EEN 7?’ Ik zei dat ik geen idee had. ‘IK HEB EEN 38 NODIG!’ riep ze. ‘Nou, mevrouw, die staan in het rek. Als ze er niet bijstaan heb ik ze niet.’ ‘HEB JE EEN 38?’ Ik wilde heel hard op en neer springen en met mijn kiezen op elkaar roepen ‘NEE STOMME IER, DIE HEB IK NIET! GA WEG!’ maar dat deed ik niet. Ik vertelde haar steeds gefrustreerder dat ze in het rek behoorde te staan. Vervolgens rende ik naar de spiegel om het meisje van een jaar of vijf te vermanen niet mijn bloemenstickers van de spiegel af te trekken. Ze keek me aan met een brutale grijns. Ik ging bijna op mijn knieën voor haar zitten en smeekte haar van mijn stickers af te blijven. Het meisje keek nogmaals spottend naar me op.

De volgende tien minuten zal ik jullie niet gedetailleerd vertellen, maar het bestond uit rondrennen, vliegen, vermanen, helpen, niet gefrustreerd raken, niet boos worden, mijn geduld bewaren en een poging doen geen schoppen te verkopen. Nadat ik vijf schoenen had gehaald voor de dames en honderd dezelfde vragen had beantwoord, liepen ze naar boven. Eindelijk. Ik ging op de grond zitten, haalde diep adem en genoot van de rust. Tijd om me voor te bereiden op volgend jaar.

0 Comments